De waterhardheid geeft de concentratie van metaal-ionen, veelal magnesium- en calciumcarbonaat, maar ook bicarbonaten en sulfaten in het leidingwater aan. Water met een hoge waterhardheid houdt geen gezondheidsrisico in, maar bemoeilijkt de werking van zepen en verwarmingselementen.

In Nederland wordt waterhardheid meestal uitgedrukt in Duitse hardheid (dH). Dit geeft de hoeveelheid kalk aan in het water. 1 dH komt overeen met 10 milligram calciumoxyde per liter drinkwater.
Vanaf 3 dH vindt kalksteenvorming plaats.

In Nederland mag het drinkwater niet te hard maar ook niet te zacht zijn. Het Waterleidingbesluit schrijft voor dat de hardheid het drinkwater moet liggen tussen de 5,6 en 14 dH.

De waterleidingbedrijven gebruiken grondwater of oppervlaktewater, waarbij elke gebied en bron zijn eigen hardheid heeft.